Op 28 mei 2026 organiseert het Vlaams Vredesinstituut ONLIFE, een namiddagconferentie over online geweldpreventie.
Onderstaande opinie, van de hand van onderzoeker Annelies Pauwels, verscheen op 1 april 2026 in de krant De Morgen en online.
Tien jaar geleden, ten tijde van de aanslagen in Brussel, werden Syriëgangers vaak gerekruteerd in specifieke wijken in enkele steden, voornamelijk op de as Antwerpen-Brussel. Vandaag is het probleem van gewelddadige radicalisering een pak minder overzichtelijk geworden.
Jihadisme blijft de grootste aandacht opeisen, maar ook rechts- en links-extremisme steken opnieuw de kop op. Daarnaast zien we een waaier aan nieuwe, vaak hybride fenomenen, zoals anti-overheidsextremisme, gewelddadige incels en nihilistische stromingen. Bovendien is het aantal minderjarige verdachten in zware terrorismeonderzoeken de voorbije drie jaar meer dan verdubbeld, zo meldde het federaal parket gisteren in zijn jaarverslag.
Het is niet langer enkel op pleintjes maar vooral online dat het verschil gemaakt wordt. Vandaag hoeft wie een aanslag wil plegen niet langer fysiek aangesloten te zijn bij een netwerk: online vindt iedereen in enkele klikken propaganda, gelijkgestemden en zelfs handleidingen voor geweld. Zogenaamde ‘do-it-yourself’-aanslagen door lone actors vormen intussen een van de belangrijkste dreigingen. Bovendien evolueren gevaarlijke denkbeelden online razendsnel, met voortdurend nieuwe vormen, symbolen en subculturen.
Radicalisering deinde ook geografisch uit. Vandaag woont in één op de drie gemeenten iemand die voorkomt op de zogenaamde “OCAD-lijst”, fors meer dan het aantal steden dat geconfronteerd werd met Syriëgangers.
Die evoluties stellen ons voor een paradox. Als radicalisering zich niet langer beperkt tot enkele steden of netwerken, als het online, in de meest diverse vormen en gradaties aanwezig is, dan zou in principe iedereen — van leerkrachten tot jeugdwerkers — meegenomen moeten worden in de aanpak. Maar net dat lukt vandaag in de praktijk steeds moeilijker.
Praktijkwerkers worstelen met veel vragen. Wat moeten ze precies herkennen? Waar begint radicalisering, en wanneer wordt het gevaarlijk? Wanneer worden bijvoorbeeld een plotse toename in religieuze praktijken, een conservatiever gedachtegoed of sterk activisme een probleem? Wanneer zijn extreme standpunten en wij-zij-denken een fase van identiteitsvorming of puberaal gedag, en wanneer vormen ze een risico op geweld?
Nochtans zijn net die lokale professionals cruciaal. Leerkrachten, jeugdwerkers en hulpverleners staan dag in dag uit in de frontlinie van preventie, ze kunnen vroegtijdig signalen opvangen en ingrijpen. Alleen bevinden de praktijkwerkers zich vaak niet op de plekken waar het vandaag gebeurt. De online leefwereld van jongeren is voor velen nog onontgonnen terrein.
Wat kunnen we dan beter doen?
Laat ons allereerst stoppen met focussen op labels; we moeten de nadruk leggen op wat al deze uitingen gemeen hebben: geweld, systematische vijandigheid en ontmenselijking. Of iemand nu vertrekt vanuit een ideologie, frustratie of mentale problemen, de kernvraag is: wanneer dreigt gedrag te escaleren? Voor lokale actoren is gewelddadige radicalisering slechts zelden de belangrijkste vorm van geweld waar ze mee geconfronteerd worden. Eerder krijgen ze te maken met vechtpartijen, het delen van gewelddadige filmpjes voor clicks en likes, sextortion en ander online seksueel grensoverschrijdend gedrag. Zelfs rekrutering voor georganiseerde misdaad passeert de revue. Bij zoveel diverse fenomenen is het niet essentieel om elke ideologie te herkennen, wel om tijdig de signalen op te vangen als het fout dreigt te lopen.
We moeten, ten tweede, absoluut inzetten op het ontwikkelen van een systematische, online reflex bij lokale praktijkwerkers en beleidsmakers. Een structurele verankering van het online perspectief binnen jeugdwerk, hulpverlening, straathoekwerk, sociaal werk en lokale politiediensten moet een absolute beleidsprioriteit worden, zeker nu AI een turbo zet op online geweld.
Tenslotte moeten we ook meer vertrekken vanuit de sterktes van lokale professionals. In hun dagelijkse praktijk zijn jeugdwerkers, leerkrachten, straathoekwerkers… getraind om met zorgwekkende signalen om te gaan. Vaak beschikken ze al over de juiste instrumenten — ze zijn ‘onbewust bekwaam’. Net daarom kan het label ‘radicalisering’ of ‘terrorisme’ verlammend werken. In plaats van hen – vaak vergeefs – te laten jagen op steeds nieuwe en snel veranderende fenomenen, is het belangrijk om het vertrouwen in hun eigen expertise te versterken. Geweldpreventie kan daarbij het kompas zijn dat hen de weg kan helpen vinden in een steeds donker wordend labyrint van ideologieën en fenomenen.