Dit opiniestuk van de hand van onderzoeker Annelies Pauwels verscheen in de krant De Morgen en online op 9 september 2026.
Velen keken deze week met open mond naar het brute vuurwapengeweld in Overasselt, naar het programma Drugsdelta dat journalisten Rudi Vranckx en Sinan Can maakten over de drugscriminaliteit in België en Nederland en naar de naweeën van de schietpartijen in Sint-Gillis.
Het geweld, én het debat erover, zijn natuurlijk niet nieuw. Evenmin verrassend is dat het debat vanuit een repressieve invalshoek gevoerd wordt. Zelfs het leger zou nu ingezet worden tegen drugsgeweld. De roep om oplossingen is begrijpelijk, de feiten zijn immers zwaar. Toch lost repressie alleen het probleem niet op.
Als we willen voorkomen dat bijvoorbeeld jongeren (blijven) instromen of doorgroeien in georganiseerde misdaadgroepen, is preventie onmisbaar. We weten hoe jongeren betrokken raken bij deze criminele groepen. Voor relatief kleine acties, zoals op de uitkijk staan, of voor zwaardere feiten, zoals het plaatsen van explosieven of een liquidatie, wordt hen snel veel geld beloofd. Toch is geld niet de enige drijfveer. Status, macht, groepsdruk en de invloed van leeftijdsgenoten spelen ook een grote rol.
Georganiseerde misdaadgroepen richten zich erg bewust op jongeren: ze weten hoe ze hen snel inzetbaar kunnen maken, en hoe ze straffen kunnen ontwijken door in te spelen op de minderjarige status van hun rekruten. Ook hun ‘marketingstrategie’ is doortrapt: deelname aan misdaadgroepen gaan ze ‘gamificeren’, het misdaadleven wordt voorgesteld als een videospel waarin je status en beloningen kan verdienen.
Opvallend: erg gelijklopende vaststellingen hoorden we een aantal jaren geleden toen jongeren zich aansloten bij groeperingen zoals Islamitische Staat. Voor veel jongeren ging het niet alleen om ideologische of religieuze motieven, maar ook om status, macht en geld. Naar Syrië trekken was voor sommigen de manier om ‘iemand’ te worden of ‘ergens’ bij te horen, om hun ‘from zero to hero’-verhaal waar te maken.
Er zijn dus duidelijke overeenkomsten in waarom jongeren aangetrokken worden door extremistische groeperingen en georganiseerde misdaad. Het leidt tot de vraag: kunnen we lessen uit het radicaliseringsbeleid van de afgelopen tien jaar gebruiken voor de preventie van georganiseerde misdaad? Ik zie er alvast drie.
Les één: Zet in op een brede samenwerking. Complexe problematieken, zoals radicalisering of drugsgeweld, vragen om een aanpak waarin de hele samenleving wordt betrokken. Samenwerking tussen verschillende beleidsdomeinen, zoals onderwijs, jeugd en sport, vormt de kern van elk beleid om te voorkomen dat jongeren gerekruteerd worden door criminelen of extremisten. Al moeten we realistisch blijven: deze usual suspects vinden de meest kwetsbare doelgroepen momenteel vaak niet, en als ze dat al doen, ontbreekt het hen soms aan vertrouwen om echt contact te maken met jongeren. Daarom is het cruciaal om ook in te zetten op samenwerking met middenveldorganisaties. Deze organisaties hebben vaak een directe lijn naar kwetsbare jongeren en hun gemeenschappen. Veel gemeenten beschikken al over een breed lokaal netwerk; het is een kwestie van dat netwerk goed in kaart te brengen, voldoende te financieren en actief te betrekken in de aanpak. De netwerken mogen ook niet stoppen aan de landsgrenzen; drugscriminaliteit is, net als radicalisering, bij uitstek een internationaal fenomeen en vele betrokkenen komen uit Nederland of Noord-Frankrijk.
De tweede les: casusoverleg werkt, mits een duidelijke visie. Casusoverleg is een van de hoekstenen in het radicaliseringsbeleid. Geradicaliseerde personen worden er besproken, en er wordt begeleiding op maat en eventueel een exitstrategie georganiseerd.
Uit tien jaar radicaliseringsbeleid hebben we geleerd dat het succes van zo’n overleg staat of valt met een heldere visie op het probleem en de aanpak ervan. Die visie moet vanuit de overheid worden geformuleerd, in samenspraak met wetenschappelijke kennis en lokale praktijkervaring.
Neem bijvoorbeeld een jongere die als uitkijk werkt voor een criminele groep. Als er geen consensus is dat dit al zorgwekkend genoeg is om in te grijpen, of als er uiteenlopende ideeën zijn over hoe de jongere uit die criminele omgeving te halen, zal het overleg weinig effectief zijn.
En, tenslotte les drie: potentiële daders (en dan vooral jongeren) zijn kwetsbaar voor een gevaarlijke cocktail van online en offline dynamieken. In het radicaliseringsbeleid heeft men jarenlang vooral de focus gelegd op de offline wereld. Pas recent is men (nog veel te bescheiden) begonnen aan een online inhaalbeweging, bijvoorbeeld op het vlak van outreach naar jongeren via sociale media of monitoring van digitale netwerken. Beleidsmakers die willen voorkomen dat jongeren instromen in de georganiseerde misdaad moeten zowel de online als offline dimensies integreren. Dat is niet evident: professionals ‘in het veld’ hebben nog (te) veel vragen: welke digitale tools hebben zij ter beschikking? Hoe maken ze online contact? Hoe gaan ze op ethische en veilige manier om met data?
Gelukkig zijn er heel wat antwoorden beschikbaar. Nu nog zorgen dat een veel bredere groep professionals en preventiewerkers ze in handen krijgt en ermee aan de slag kan.
Meer over de auteur:
- Annelies Pauwels doet onderzoek bij het Vlaams Vredesinstituut naar gewelddadige radicalisering en vuurwapenverwerving door criminelen en terroristen.
- Ze is vast lid van de EU Knowledge Hub on Prevention of Radicalisation, een netwerk van de Europese Commissie dat beleidsmakers, onderzoekers en praktijkwerkers samenbrengt rond preventie van gewelddadig extremisme
- Ze werkte recent aan AskOlg-A, een onderzoek voor de Vlaamse Overheid rond online vroegdetectie en preventie van geweld, met focus op onder meer rekrutering van jongeren.