
Vrijdag 24 januari 2025, Kamer, Brussel.
Lezing door Maarten Van Alstein, onderzoeker bij het Vlaams Vredesinstituut, ter gelegenheid van de Plechtigheid ter herdenking van slachtoffers van door de Belgische Staat erkende genocides, met als thema ‘Waakzaamheid tegenover genocides: hoe herken je de waarschuwingssignalen?’
Geachte volksvertegenwoordigers, geachte aanwezigen,
Enkele jaren geleden zag ik het toneelstuk Gevaarlijke namen. Het stuk vertelt het verhaal van Alma Mustafic, die in juli 1995 in Srebrenica was, veertien jaar oud. Haar vader werd vermoord, net als duizenden anderen; zij werd met haar moeder gedeporteerd. Vandaag leeft Alma in Nederland, ze is docente in de lerarenopleiding van de Hogeschool Utrecht, en ze zet zich onvermoeibaar in om de kennis over de geschiedenis van Srebrenica te versterken, de herinnering levend te houden, en voor genocide te waarschuwen.
Gevaarlijke namen: dat betekent: plots werd de naam van haar vader, haar eigen naam, gevaarlijk. Want die naam verwees, volgens bepaalde mensen en partijen, naar een ongewenste achtergrond. Voor de jaren negentig leefden veel mensen en buren vreedzaam samen in Bosnië-Herzegovina. In 1995 werd de complexe identiteit van mensen als Alma plots samengeklapt tot nog maar één element: moslim, hoewel dat aspect voordien misschien niet zo belangrijk was in de levens van veel mensen in en rond Srebrenica.
Dat is de genocidale logica.
De boodschap van Alma is helder: we moeten kennis over genocide blijven versterken. En genocides uit het verleden op een open en democratische manier blijven herdenken.
Daarom zijn we hier vandaag: om de genocides die door België erkend werden te herdenken – en na te denken over genocide.
Als onderzoeker bij het Vlaams Vredesinstituut, een onafhankelijke instelling voor vredesonderzoek bij het Vlaams Parlement, werd me gevraagd om vanuit wetenschappelijk perspectief enkele beschouwingen te formuleren bij genocide.
—————————————
Genocide is in eerste instantie een juridisch begrip. Het wordt gedefinieerd in de conventie van 1948. Die omschrijft genocide als een reeks handelingen zoals het doden, het opleggen van vernietigende levensomstandigheden of het beperken van geboortes, en, belangrijk, die handelingen worden gepleegd “met de bedoeling om een nationale, etnische, godsdienstige groep, of een groep behorende tot een bepaald ras, geheel of gedeeltelijk te vernietigen”.
Over dit genocide-verdrag is al veel inkt gevloeid, niet alleen in de rechtspraak en de rechtsleer, maar ook in de sociale wetenschappen en de geschiedenis. Het onderzoek naar genocide is veelzijdig en multidisciplinair. Het zou te ver leiden om die veelzijdigheid in detail te belichten, maar het lijkt me wel zinvol om enkele lijnen naar voren te halen.
Ten eerste wordt in de literatuur nagedacht over de precieze draagwijdte en de beperkingen van de genocide-definitie die in de conventie vastgelegd werd. Hoewel veel sociologen en historici in hun onderzoek vertrekken van de juridische definitie van 1948, zijn er ook onderzoekers die ervoor kiezen om bredere definities te hanteren. Dit blijft in de literatuur onderwerp van debat.
Een tweede gedachte, die hierop voortbouwt: genocide is een gecontesteerd begrip. In de wetenschap betekent dit dat er over de term geen overeenstemming bestaat. Zo gaat praten over genocide vaak gepaard met discussie, regelmatig ook met bittere strijd. Dat geldt in de wetenschap, maar het is natuurlijk ook waar in de publieke sfeer. Discours over genocide zijn vaak politiek geladen.
Die politieke dimensie werd overigens al onmiddellijk duidelijk in 1948, bij de onderhandelingen over de precieze definitie van genocide. Zo spreekt de conventie over nationale, etnische en godsdienstige, maar niet over politieke groepen. Dat heeft er onder meer mee te maken dat verschillende grootmachten heel goed in de gaten hielden of zij onder de bepalingen van de conventie niet aansprakelijk zouden kunnen worden gesteld voor geweld, bijvoorbeeld tegen oorspronkelijke bevolkingen in koloniale contexten, of voor de hongermoord van boeren die door de bolsjewieken onder Stalin als ‘koelakken’ gezien werden, onder meer in Oekraïne in de jaren dertig.
De politieke geladenheid van genocide is uiteraard geen zaak van het verleden. Ook vandaag leidt het inroepen van de beschuldiging van genocide tot bijzonder heftige, emotionele en pijnlijke conflicten. Dat ervaren we, wanneer bijvoorbeeld het geweld in Gaza ter sprake komt.
Deze vaststellingen brengen me bij een volgende gedachte die in de literatuur naar voren wordt gebracht. Er zijn academici die kanttekeningen plaatsen bij de internationaal-strafrechtelijke hiërarchie die de afgelopen decennia lijkt te zijn ontstaan, waarbij genocide de ‘misdaad der misdaden’ is geworden. Sommige academici bekritiseren deze hiërarchie omdat die volgens hen tot gevolg heeft dat schendingen van het internationaal recht die niet onder de categorie van genocide vallen, in de media en bij de politiek niet altijd de aandacht krijgen die ze verdienen.
Nu zouden je kunnen argumenteren dat genocide wel degelijk de misdaad der misdaden is – met name omdat het gaat om het uitroeien van een groep mensen, louter omwille van het gegeven dat die mensen tot een bepaalde groep behoren.
Niettemin: als dit zou betekenen dat andere misdaden (zoals oorlogsmisdaden, etnische zuiveringen, en misdaden tegen de menselijkheid) minder aandacht zouden krijgen, of niet met de ernst benaderd zouden worden die ze wel verdienen, is dat problematisch, zowel vanuit het perspectief van het internationaal recht als vanuit menselijk en moreel perspectief.
Het internationaal recht vraagt van ons, burgers en overheden van een democratische samenleving, dat we oproepen tot het voorkomen en beëindigen van alle misdaden: genocide, maar ook misdaden tegen de vrede (of: agressie-oorlog), oorlogsmisdaden, en misdaden tegen de menselijkheid, waar die zich ook afspelen.
In die zin zouden discussies zoals die over de al dan niet genocidale intenties van de huidige Israëlische regering geen hinderpaal mogen zijn om te benoemen wat we zien. Dat proberen we bij het Vlaams Vredesinstituut consequent te doen sinds 7 oktober 2024: de moordende aanval van Hamas, het ontvoeren en doden van burgergijzelaars, en, na de start van de oorlog in Gaza, meer dan een jaar lang grootschalig dodelijk geweld tegen burgers, verwoesting van civiele infrastructuur (inclusief ziekenhuizen en scholen), en belemmering van humanitaire hulp. Dat zijn zaken die we in Gaza zien, en die we moeten onderzoeken en benoemen, net zoals we schendingen van het internationaal recht ook in andere conflicten en oorlogen moeten onderzoeken en benoemen, in Congo, Soedan, Jemen, en tal van andere plaatsen.
Om de precieze verhouding tussen de verschillende misdaden tegen het internationaal recht te kaderen, is het zinvol kort de geschiedenis van het begrip genocide te belichten – en breder: van het internationaal recht tijdens en onmiddellijk na de Tweede Wereldoorlog.
Het stond namelijk niet in de sterren geschreven dat genocide, het geesteskind van Raphael Lemkin, een joods-Poolse jurist uit Lviv, na de oorlog zou uitgroeien tot dé internationaalrechtelijke misdaad bij uitstek. Tijdens de oorlog en op het proces van Nurenberg verkozen Britse en Amerikaanse juristen andere categorieën om de nazi’s aan te klagen: misdaden tegen de vrede (agressie-oorlog), oorlogsmisdaden, en een nieuwe categorie: misdaden tegen de menselijkheid.
De munter en pleitbezorger van dat laatste begrip – misdaden tegen de menselijkheid – was Hersch Lauterpacht, hoogleraar Internationaal Recht in Cambridge, en als joodse Pool net als Lemkin oorspronkelijk afkomstig uit Lviv. Lauterpacht omschreef misdaden tegen de menselijkheid als het systematisch vernietigen van individuen.
De Britse jurist en schrijver Philippe Sands (van wie de familie ook uit Lviv afkomstig is) heeft in zijn prachtige East West Street het verhaal verteld van Lemkin en Lauterpacht en hun inspanningen om massamoorden niet onbestraft te laten. Het verhaal van Sands echoot sommige van de stemmen die tot vandaag te horen zijn in wetenschappelijke kringen over het concept genocide.
Zo kreeg Raphael Lemkin tijdens de oorlog al te horen van collega-juristen dat ze een zekere aarzeling hadden bij het begrip genocide, omdat ze vreesden dat we door het gebruik van het begrip bepaalde elementen zouden overnemen van de genocidale logica.
Dat klinkt misschien vreemd. Wat houdt deze visie precies in?
De genocidale dynamiek draait rond één groep die een andere groep mensen begint te zien als een existentiële dreiging voor de eigen eenheid, veiligheid of ‘zuiverheid’ (die laatste term, zuiverheid, is altijd gevaarlijk wanneer die politiek ingezet) – en daarom die andere groep probeert te vernietigen, weg te vagen.
Dit is uiteraard een bijzonder gevaarlijke manier van denken. Maar het is ook een fictie: de monolithisch-homogene groepen zoals die in genocidale discoursen naar voren komen, bestaan niet in de werkelijkheid. Uiteraard zijn er groepen mensen die bepaalde kenmerken delen, maar de werkelijkheid is altijd veel complexer. Je kan Belg zijn, én joods, christelijk, moslim of humanist; links, centrum of rechts; enz., enz.. Identiteiten zijn altijd complex en gelaagd. De genocidale logica versimpelt die complexe identiteiten echter op een extreme en dodelijke manier. Tal van mensen met complexe identiteiten worden samen gegooid in één groep, om meedogenloos vermoord te worden omwille van dat ene groepskenmerk. Mensen zijn alleen nog maar ‘Armeniër’, ‘jood’, ‘moslim’, ‘Tutsi’.
Het was een van de redenen waarom Hersch Lauterpacht er de voorkeur aan gaf om te focussen op misdaden tegen de menselijkheid: massamoorden op individuen.
In het licht van deze beschouwingen, is het dus zinvol om altijd heel omzichtig te zijn wanneer we over genocides praten, om te vermijden dat we elementen van het genocidale denken zouden overnemen.
Tegelijkertijd ligt hét misdadige aspect van genocide natuurlijk net in die dodelijke intentie van de genocidairen: die willen een hele groep mensen vernietigen omwille van één groepskenmerk dat die mensen delen. Ook dat houden we best voor ogen.
Een mogelijke weg vooruit, een pad om op een omzichtige en eerbiedige manier over genocide te spreken, is beroep doen op een klassiek onderscheid uit de moraalfilosofie: dat tussen intentie en consequentie.
Concreet: bij het aanklagen en bestraffen van genocide staat de intentie cruciaal: de intentie om een groep te vernietigen, op basis van de extremistische versimpeling van de identiteit van de andere. Tegelijk hebben we best ook altijd oog voor de consequenties van genocide: het feit dat talloze individuen, unieke mensen, vernietigd werden, en dat de complexe en gelaagde manieren waarop die mensen zelf invulling gaven aan hun identiteit volledig uitgevaagd werden.
Vandaar dat herdenkingen van genocides zo vaak de namen van slachtoffers en overlevenden centraal plaatsen.
Om die ontelbare unieke mensen terug in ere te herstellen. En om hen – radicaal tégen de intentie van de genocidale vernietiging in – te redden van de vergetelheid. Door hen te herinneren en te herdenken.
—————————————
Geachte volksvertegenwoordigers, geachte aanwezigen,
In 2014 en 2019 bezocht ik met de Brusselse Auschwitz Stichting het vernietigingscentrum Treblinka.
In 1944, na de massamoorden die ze er pleegden, wilden de nazi’s hun misdaad verhullen en geheim houden. De gebouwen werden afgebroken, op het terrein van het kamp werden dennen en lupines geplant.
Historica Rachel Auerbach (die tijdens de bezetting als lid van de groep rond Emanuel Ringelblum mee had geschreven aan kronieken over het dagelijkse leven in het getto van Warschau) bezocht vlak na de oorlog Treblinka. En zij kon vaststellen: de bewoners in de omgeving wisten exact waar het vernietigingscentrum had gelegen. Bovendien bleef de grond objecten zoals kammen en horloges naar boven werken. Er waren ook mensen geweest die doelbewust hadden gegraven, op zoek naar waardevolle zaken.
Het is de laatste stap van genocide: de daders willen niet alleen de sporen van hun misdaden uitwissen, na de fysieke vernietiging van mensen willen ze ook elk spoor in de herinnering uitvagen, en de slachtoffers naar de totale vergetelheid bannen.
Die vergetelheid is echter waar het internationaal recht, de wetenschap, én herdenkingsrituelen als deze vandaag tegen strijden: we vergeten niet, we blijven onderzoeken, berechten en bestraffen, herinneren en herdenken.
Daar ligt voor ons allen, burgers en overheden in een democratische samenleving, een belangrijke taak: onderzoek blijven doen, recht doen gelden, herinneren en herdenken.
Het bekende Joodse gezegde gaat dat wie één mens redt, de hele wereld redt. Daarop voortbouwend: wie naar de herinneringen van één mens luistert, luistert naar de hele wereld, én naar de meerstemmigheid die in die wereld klinkt, op voorwaarde dat in die wereld vrijheid en vrede heersen.